maandag 30 maart, 20.25 uur, NPO 2

Leve de vrouw van de SRV

BNNVARA

Torenhoge schulden, tegenvallende klandizie, boodschappen op de pof. Menig ondernemer zou het bijltje erbij neergooien. Maar de Tilburgse Tonny blijft haar rijdende winkel en haar klanten trouw.

Het heeft Tonny nooit meegezeten in het leven. Toch laat ze zich niet kisten. Een gewone baan zat er niet in door haar roerige verleden, maar ondernemer worden, dat stimuleerde de gemeente Tilburg juist. Dus stak ze zich in verse schulden en begon 'Tonnekes rijdende winkel'. Ongehinderd door enige ervaring als kruidenier en met een krakkemikkige bus maakt ze lange, stressvolle dagen. Rustiger aan doen is geen optie meer want de hele buurt is afhankelijk van Tonny en haar boodschappen. Filmmaker Max Ploeg volgde de eigenwijze Tonny voor zijn afstudeerfilm aan de HKU. 

Het constante balanceren tussen de zorg voor anderen en het niet wegcijferen van zichzelf wordt nog lastiger nadat haar relatie misloopt met haar vriend en helper Kees. Hoe dan ook, ondanks de kuilen in de weg blijft Tonny optimistisch haar wagen rondrijden. Met dit relikwie uit een voorbije tijd blijft ze idealen als compassie en solidariteit najagen terwijl ze hier onzekerheid en financiële problemen voor terug krijgt. Haar idealen zijn misschien net zo ouderwets als haar onderneming, toch zet ze door.

Regie: Max Ploeg

In gesprek met Tonny

Tekst: Elmar Veerman

Op 30 maart 2020, de dag dat de documentaire wordt uitgezonden, bellen we even met hoofdpersoon Tonny. Want kijkers vragen zich vast af hoe het verhaal verder is gegaan, en hoe het haar vergaat nu het coronavirus hard heeft toegeslagen in Brabant. 

Ha Tonny, fijn dat je opneemt. Vanavond is de documentaire over jou op tv. Ik bel om even te vragen hoe het nu met je is. Max vertelde me dat je wagen stuk was gegaan, afgelopen zomer al. Dus sindsdien kun je niet meer rijden?
Ja, die is helemaal op. Helemaal weg. Maar sinds de documentaire bij het IDFA heeft gedraaid, in Amsterdam, hebben we een stichting opgezet. Voor een laatste kans, zodat ik toch nog kan doorstarten, en dat is eigenlijk heel goed gelukt. Er moeten nou nog een paar dingen geregeld worden, maar die zitten eraan te komen. En dan kan ik gewoon in augustus weer starten. Als het allemaal mogelijk is met die corona.

Maar nu kun je dus niet rijden.
Nee, of jawel, nu rij ik met m’n privéwagen. Ga ik boodschappen doen met de mensen. Alhoewel, nou sinds anderhalve week ga ik geen boodschappen meer doen met de mensen, maar wel vóór de mensen.

Want je kan niet met ze in een auto gaan zitten.
Nee, dat doe ik niet meer, want het zijn allemaal een beetje bevattelijke mensen, oudere mensen…

Lees verder door op 'OPEN' te klikken.

En jij zelf misschien ook wel.
Ja, gewoon voor alle gezondheid. Dan hangen ze d’r tas aan de deur, met de pinpas of met geld, en dan ga ik boodschappen doen en dan breng ik ’t gewoon weer thuis. En zo gaat dat dan.

Maar daar verdien jij verder niks mee, of wel?
Nee. Toen ik met ze boodschappen ging doen had ik wel symbolisch zoiets van kom, we gaan ergens een bak thee drinken, en dat betaalden ze dan. Dan gingen we gewoon hier bij de Rooi Pannen, want daar kost de koffie en de thee maar een eurootje, dus dat bleef het ook leuk voor de mensen. Maar om benzinegeld te vragen, dat doe ’k nie. Maar het is wel heel belangrijk om dat sociale contact te houden met de klanten. Want ik denk ja, als ik terugkom, dan wil ik ook die klanten behouden.  

Maar waar leef jij dan nu van?
Eh, ik verkoop aardappels; ik sta nog één dag in de week op de markt, en ik verkoop aardappelen, groenten en fruit, en dan ben ik blij dat ik nog net m’n huur kan betalen. En loop ik een keer achter met m’n elektriciteit, dan bel ik gewoon op van: goh, kan het eind volgende maand? En tot nu toe lukt dat allemaal nog een beetje. Maar het wordt wel steeds zwaarder. Ik verkoop minder, met die coronatoestand. Want nu is het wel tot de mensen doorgedrongen, sinds anderhalve week. Maar ik heb nog steeds dat de klanten gewoon bellen om te buurten. Het is die eenzaamheid, weet je, ze willen toch met iemand praten. En het is misschien heel lullig dat ik het zo zeg, maar door corona komen ook wel weer de mensen bij elkaar. Ik merk nou ook echt dat ze jaren geleden kinderen gezien hadden, en dat ze nou toch in ene op facebook weer een link leggen van goh, m’n kleindochter heeft gereageerd, of d’r dochter, of d’r zoon… en dan denk ik: het brengt toch wel weer de mensen bij elkaar. Van hoe gaat het, en hoe gaat het dan bij jou, sommigen hadden al wel meer dan tien jaar niks meer van hun kinderen gehoord. En nou vragen ze toch wel van hoe is ‘t, en da’s toch mooi.

Je zit middenin het gebied waar corona het eerste was en het hardst heeft toegeslagen.
Ja, hier is het wel heel veel. Ik heb ook een paar klanten al af moeten geven.

Overleden?
Ja, in mijn klantenkring nou vier. Da’k ’t al zeker weet. Die zijn aan die ziekte overleden. Ja, heel heftig. Eén klant belde me op, die zei: ik ben helemaal verkouden. Ik zeg heb je ook koorts? Die vrouw was 73 of 74, maar ze zegt: ik ga de dokter maar niet bellen. Dus ik zeg: dan rij ik wel even naar de huisartsenpost en dan ga ik toch vragen wat je moet doen, want ik denk dat je toch wel iets moet doen. Want het wás al een longpatiënt. Ze is toch opgenomen, en ze is overleden vorige week. En dan ben je een week van tevoren nog boodschappen met ‘r wezen doen. Da’s wel klote dus. Ja. Maar ja, die dingen die gebeuren wel allemaal. Je bent wel heel dicht bij de klanten hè.

Maar je bent zelf niet ziek geworden nog?
Gelukkig nog nie. Afkloppen! Ik hou goed afstand van klanten, nu ga ik gewoon boodschappen voor ze doen, en bij sommige mensen zet ik het dan nog wel in huis, maar dan doen ze de deur open en dan gaan ze zelf naar binnen, en dan moet ik het in de kelder zetten, of in de koelkast, dat doe ik dan nog. Als het niet hoeft, dan doe ik het niet, maar als ik weet dat ze het echt zelf niet kunnen, als meestal de thuishulp het zou doen, dan doe ik het wel.

Je neemt wel een risico voor ze.
Ja, maar ja, dan denk ik: de thuiszorg moet dat ook soms gewoon doen. Maar bij twee klanten kwamen die niet meer, dus daar heb ik ook gewoon nog een beetje het huishoudelijk werk gedaan. En de steunkousen aangedaan. Want ik denk ja, dat moet ook gebeuren. Eén mevrouw heb ik nog gedoucht, want die had al vier dagen niet gedoucht, en ik denk van ja, nou komt het menselijke helemaal omhoog, dus ik zeg nou, tante, dan gaan we effe douchen. Mondkapje op, want het zijn niet van die professionele mondkapjes die ik heb, maar ik heb er wel nog een paar. Ja, dat zijn dan wel dingen die ik er dan wel bij doe. Zou ik bij m’n moeder ook gedaan hebben, dus… Het is gewoon een heel aparte wereld. Ik zit gewoon zo dichtbij de klanten.

Gevaarlijk dichtbij, zou ik bijna zeggen.
Ja, da’s wel heel apart. Het is allemaal zo gegroeid, en nou ben ik ook wel echt in Tilburg… heel veel mensen kenden mij ook al, en die socialiteit zit er toch wel in bij ons. En ook wel dat vertrouwen meteen met die klanten, en dat gaat best wel diep bij mij, en met die klanten. Met eigenlijk alle klanten.

Hoe veel zijn het er in totaal?
 Ja… Eh… Da’s eigenlijk een moeilijke vraag. In elke staat waar ik rij heb ik tussen de twee en zes klanten. Die staan daar echt op te wachten. Tilburg zit ergens aan de top van de armoede, en de socialiteit, en ik denk dat mijn winkel daarom zo’n impact heeft gegeven op de mensen, zo van het vertrouwde, en op de pof kopen, en ze kunnen d’r verhaal kwijt, en… Kijk, ik rij niet door de straat van: nou, opschieten, we staan te wachten. Nee, de ene keer sta ik twintig minuten in een straat, en de andere keer komt er heel weinig en rij ik na vijf minuten weer door. Maar er is geen tijd aan gebonden bij mij. Soms ben ik om zeven uur klaar, maar ik heb ook wel eens gehad dat ik om negen uur klaar was.

Hoe vind je de film eigenlijk geworden? Was het wat je had verwacht?
Nee, helemaal niet! Het is een prachtige documentaire geworden. Ik had geen idee dat het zo zou worden. Ja weet je, die jongen die kwam bij mij die film maken voor school en ik zeg ja, dat doen we maar gewoon. Die jongen heeft bij mij geslapen, want dan hoefde die nie ’s morgens de eerste trein te pakken. Het is gewoon een kind aan huis geworden weet je wel, m’n zonen zijn net zo oud als hij. Die hebben nooit de kans gehad om door te leren, omdat wij een eh, een probleemgezin waren, zal ‘k het maar effe zo noemen, en ik had die capaciteiten niet, en ik zeg tegen m’n jongens: nou  belt er iemand op en die kan voor z’n school die documentaire maken zodat-ie misschien kan slagen. Ja, die jongen komt gewoon bij mij die documentaire maken. Wat het is dat weet ik nie, maar ik hoop dat-ie slaagt. Snap je? Daar ging het mij om. Die jongen zit op school, en die moet gewoon verder. En dan is-ie ook geslaagd, dan belt-ie me op van: ik heb die film naar de IDFA gedaan, dus ik zeg nou, daar zal jouw baas wel blij mee zijn. Nee dat gaat niet via mijn baas, dat heb ik gedaan. Dus ik zeg nou, da’s toch leuk? Ik wist helemaal niet wat hij bedoelde! En dan kom je in Amsterdam, nou, d’r ging een wereld voor me open! Sta ik ineens op een podium van die bioscoop, nou, dan weet je toch niet wat je overkomt? En dan word je ook een beetje geleefd hè. Ik zeg tegen Max: ik lijk wel een filmster.

Ben je toch ook?
Maar dan ga je, doordat je ‘m vaker ziet, nou begon ik ook te snappen wat een documentaire is. Want ik kijk nooit geen films of wat ook, op televisie, en ik snapte d’r helemaal niks van, van wat betekent dat nou, za’k maar zeggen. Maar dan hoor je de reacties van de mensen, en dan begin je pas te beseffen: voor een kijker naar die film zit daar een verhaal in, van waarom of hoe of wat. En door Max, kun je dan zien, ja ik heb van alles meegemaakt, ik heb al zo veel keer op de rand van de put gehangen in m’n leven, en nou zie ik dus dat die documentaire daardoor ook zo mooi is, van ja… sommigen worden rijk geboren, zeg maar, en die hebben die wereld nooit gekend, dat armoedige. Maar dan ben je zelf arm en dan wil je nóg de armen helpen. Maar ja, dat gaat wel ten koste van eigenlijk alles. Maar die film, ik vind ‘m wel ontzettend mooi. Het is eigenlijk wel gewoon een heel levensverhaal. Dit is gewoon zoals het bij sommige mensen thuis gaat.

Maar je bent geen doorsnee mens.
Nee, nou, dat klinkt misschien heel raar wat ik nu zeg, maar Max zag ook wel dat ik vaak gewoon kapot was. En dan zei-tie van: hoe hou je het vol Ton? Ik zeg: hoe kan ik stoppen Max. Hoe kan ik stoppen? Ik zeg: ik moet toch, ik moet aan die mensen blijven denken, dat ze toch eten kunnen blijven kopen, op de pof. Want dat is zo belangrijk. D’r zijn zó veel armoedige mensen.

Maar die kun je toch niet allemaal helpen? Er is toch een grens aan?
Nee, maar je kunt wel zo veel mogelijk wél doen. En ik denk nu, nu door deze corona, heel eerlijk hè, nu zie ik dat er echt wel mensen zijn opgestaan, waar ik heel de tijd voor rond heb gereden, wat niemand nie snapte, maar nou doet heel de wereld het! Voor de buurvrouw een boodschap, vragen: lukt het allemaal nog? Moet ik effe wat meenemen? Ik zet het wel bij de deur neer. Dan denk ik: zo moet het toch gaan in de wereld?

Dus die documentaire past goed in de tijd.
Ja. Het is wel jammer dat het door die corona komt, maar nou doet heel de wereld het. Wie had dat een half jaar geleden durven denken? Zo hoort het eigenlijk altijd te gaan, dat je elkaar helpt.

'Ik vroeg me de hele tijd af: waar gaat die film nou eigenlijk over,

en dan dacht ik dat ik het wist, maar dan werd het toch weer iets heel anders.' - Regisseur Max Ploeg

'Dan zei Tonny iets en dat zette alles weer op z’n kop'

In gesprek met regisseur Max Ploeg

Tekst: Elmar Veerman

Max Ploeg (24) studeerde vorig jaar af aan de HKU in Utrecht, en nu komt zijn werk op prime time op televisie. Hij had eigenlijk een heel ander idee voor zijn afstudeerfilm, maar toen stuitte hij op Tonny en haar rijdende winkel. 

Hoe ging dat?
Ik was op zoek naar SRV-mannen, de laatsten in hun soort. Ik wilde weten wat voor mensen dat waren, die met hun rijdende winkel langs de deuren gingen. Ik was nog nooit in een SRV-wagen geweest, had er zelfs nog nooit eentje gezien.

SRV, waar staat dat eigenlijk voor?
Samen Rationeel Verkopen. Het was een rijdende winkelformule. Die bestaat al 25 jaar niet meer, maar er rijden hier en daar nog wel wagens, en mensen noemen ze nog steeds zo. Ik zocht dus naar die SRV wagens, omdat ik wilde weten of ze er nog waren, en waarom ze bijna verdwenen waren. En dan het liefst eentje die binnenkort zou stoppen, zodat ik dat proces in beeld kon brengen. Maar toen trof ik dus Tonny, en die was juist net begonnen.

En toen dacht je: dit is het?
Ja. Toen ik haar ontmoette, dacht ik: dit is zo’n bijzonder karakter, die wil ik wel beter leren kennen. Ik heb iets van vijftien tot twintig dagen gefilmd, en daarvoor had ik al een hele tijd met haar meegelopen. Af en toe had ik ook een draaidag gepland, maar dan liep het heel anders. Ik zou bijvoorbeeld een keer een interview hebben met Kees, maar toen ik daar kwam bleek hij niet thuis te zijn. Hij nam z’n telefoon ook niet op. Na een half uur kwam hij ineens thuis, en zei: het draaien kan niet doorgaan, want ik heb net een bank op Marktplaats gekocht. Dus toen ben ik met hem meegegaan om die bank op te halen, en z’n oude bank moest naar Tonny toe. Of andersom, ik weet het niet meer precies. Maar ja, dan ben je dus de hele dag bezig banken te verplaatsen.

Max Ploeg

Als draaidag mislukt, maar misschien wel een goede investering in de vertrouwensband?
Ja, dat ook, en ik dacht: ik ben er nou toch. Ik heb die dag toch wel een enkel shot gemaakt dat ik in de film kon gebruiken hoor, van Kees die z’n bank stofzuigt.

Je deed regie, camera én montage…
Ja, en kleurcorrectie. Oh, en het geluid heb ik ook opgenomen, met zendermicrofoons, maar dat was een totale ramp.

Ik heb niets van die ramp gemerkt, als kijker.
Het klonk in eerste instantie verschrikkelijk, maar gelukkig ben ik gered door een sound designer.

Hoe ging het monteren?
Dat was verschrikkelijk. Ik moest de film vorige week iets aanpassen voor nu op tv, en dat moest vrij vlug. Dus ik opende dat projectbestand en ik kreeg bijna een zenuwinzinking. Wat een rotzooi, en alles stond door elkaar. Nee, de montagefase was echt… geen leuke tijd.

Het is aan het resultaat niet af te zien. Ging je heel planmatig te werk?
Nee, helemaal niet, of tenminste: ik dacht wel steeds dat ik een plan had, maar dan zei Tonny iets en dat zette alles weer op z’n kop. Ik heb geprobeerd om een plan te maken met uitgeschreven scenes enzo, zo van: nu zien we Tonny een gebouw uitlopen, maar als ik dat dan aan haar vroeg zei ze: ik ga echt niet voor de camera dat gebouw uit lopen. Daar had ze helemaal geen zin in.

Je bent daar genoeg geweest om weg te vallen, ik bedoel: niet in de weg te staan als filmmaker.
Ja, dat moet ook, want Tonny is natuurlijk de hele tijd aan het werk. Ze kan niet de hele dag gaan vrijmaken voor het filmen. Ik werkte ook zonder geluidsman om niet te veel ruimte in te nemen. Voor je het weet kunnen de klanten de wagen niet meer in.

Even over de vorm. Is dat gegaan zoals je gepland had?
Ik heb veel gekeken naar road movies, en gekeken of er al zoiets was als een documentaire road movie. Met veel schots via de autospiegels, van de auto, vrije cameravoering. En ik had wel gepland om zo te filmen, maar ja, als je dan eenmaal bezig bent, vergeet je dat weer. Of ik in elk geval. Ze zitten er wel tussen, zulke shots. Dat is dan omdat ik me heel even aan mijn voornemens wist te houden.

Mocht je alles filmen?
In het begin niet, toen hield ze me ook een beetje weg bij de boekhouder, had ik het idee, maar tegen het einde was ze wel heel open. Ze had wel meteen zin om mee te doen. Ik geloof niet dat ze in het begin helemaal doorhad wat de bedoeling was, want tegen klanten zei ze dat ik iets voor de universiteit kwam doen, een verslag schrijven of zoiets. Maar ze stond er wel heel erg voor open en ze vond het leuk.

En dat openhartige gesprek over haar jeugd enzo? Heb je daar lang naartoe gewerkt?
Ja, dat heeft wel even geduurd, dat was tegen het einde van de draaiperiode. Ik moest er wel een paar keer op aandringen. Het meeste wat ze daarin vertelt wist ik inmiddels al wel, maar ik had het nog niet gefilmd. Ze is een heel goede verteller. Ik hang echt aan haar lippen op zo’n moment.

Staat Tonny voor iets groters, een maatschappelijk fenomeen?
Ja… ehm. Dat weet ik niet. Ik zou het je vertellen als ik het wist, hoor. Maar in de montage is deze film echt geworden wat hij is – het waren allemaal losse stukken, en ik vroeg me de hele tijd af: waar gaat die film nou eigenlijk over, en dan dacht ik dat ik het wist, maar dan werd het toch weer iets heel anders. Dus ik heb dat een beetje opgegeven. Nou ja, als het ergens over gaat is dat voor mij doorzettingsvermogen.

We moeten het nog even over Chantal Janzen hebben. Die komt ineens door je film heen gemarcheerd. Wist je dat dat ging gebeuren?
Nee, ik was twee maanden aan het filmen toen Tonny een telefoontje kreeg van het tv-programma, ‘Chantal komt werken’ heet het, en in eerste instantie dacht ik: verdomme, nou gaat Chantal Janzen er met mijn afstudeerfilm vandoor!

Maar dat pakte dus heel anders uit.
Ik wilde het eigenlijk niet filmen, maar mijn docent zei: doe toch maar. En uiteindelijk zit het nu wel mooi in de film.

Je hebt nog contact gehouden met Tonny, hoorde ik. Kwam je nog wel eens bij haar over de vloer, voor het coronavirus toesloeg?
De laatste tijd dus inderdaad niet zo, ik denk dat ik haar begin februari voor het laatst gezien heb. Maar we bellen nog regelmatig.