Zondag 16 augustus, 19:55u op NPO 2

De bestuivers

Human

Imker Keith Roberts verzorgt honderden bijenvolken die hij verhuurt aan Californische boeren om hun fruitbomen te bestuiven. Vooral pesticiden zijn een groot risico voor zijn volken. Hoe kan hij ze in leven houden?

Het uitsterven van bijen is een probleem waar we wereldwijd mee dealen. Zeker in Amerika waarin boeren vooral grootschalige monocultuur bedrijven (één gewas op je akker) geldt dit sterk. Om toch de gewassen de bestuiven lenen imkers hun bijenvolken uit aan boeren, maar vaak gaat hierbij 40 procent van de bevolking dood. Dit geldt ook voor de bijen van Keith Roberts.

De boeren bezweren dat ze geen pesticiden gebruiken, maar iedere keer dat hij zijn bijenkorven ophaalt is hij bang voor wat hij aan zal treffen. Hij ligt er 'snachts van wakker. Maar op het hoogtepunt van het bestuivingsseizoen breekt de coronapandemie uit. Keith hoopt dat deze confrontatie met onze verstoorde relatie tot de natuur mensen tot inzicht brengt. Over hoe onze voedselvoorziening tot stand komt, over onze afhankelijkheid van bijen.

Regie: Eline Jongsma & Kel O’Neill

‘Een aangeharkt landschap betekent geen voedsel voor de bij’

Keith Roberts

In gesprek met hoogleraar David Kleijn

Tekst: Anne van Blijderveen

In de 2Doc Kort De bestuivers ziet de Amerikaanse Keith Roberts met lede ogen aan hoe zijn honingbijenpopulatie grote verliezen lijdt. Californische boeren hebben honingbijen nodig om hun enorme akkers te bestuiven, maar de omstandigheden zijn zo bar dat veel bijen het niet overleven. Is het in Nederland ook zo erg en zo ja, wat kunnen we eraan doen? 2Doc.nl vraagt het David Kleijn, hoogleraar plantenecologie en natuurbeheer aan de Wageningen Universiteit.

Is de bij in Nederland er ook zo slecht aan toe?
‘Nee, het is lang niet zo slecht als in Californië. De situatie daar is heel extreem. Ze hebben er alleen maar monocultuur; één gewas op enorm uitgestrekte akkers. Dit geldt ook voor de amandelboeren daar, zij verbouwen enkel amandelen en die bloeien op het moment dat er nog niks anders in bloei staat. Dus de bijen hebben alleen maar amandelen te eten. Daar komt bij dat ze vanuit de hele Verenigde Staten worden ingevlogen waardoor ze onderling makkelijk ziektes uitwisselen en verspreiden. Deze situatie komt niet of nauwelijks voor in Nederland want wij hebben bijna geen grootschalige monocultuur; daar hebben we de perceelgrootte niet eens voor. Hierdoor blijft er, ook als het gewas dat wordt verbouwd nog niet bloeit, nog wel iets anders te eten over.

Dat gezegd hebbende: de situatie in Nederland is zeker niet ideaal. Ons land wordt verschrikkelijk efficiënt beheerd en aangeharkt. Zo wordt op landbouwpercelen al het onkruid weggehaald, de randen om een akker heen worden beheerd zodat de boer er geen last van heeft en wegperkjes worden zo simpel mogelijk ingericht. Dit betekent dat we bijna nergens onkruid of bloemen hebben staan. Veel Nederlanders bestraten ook hun tuin volledig. Dit zijn slechte zaken voor bijen. Een aangeharkt landschap betekent geen voedsel en nestgelegenheid voor de bij.’

Hoe belangrijk zijn bijen eigenlijk voor ons ecosysteem?
‘Om deze vraag te beantwoorden wil ik als eerst een onderscheid maken tussen de honingbij en de wilde bij. Van de honingbij bestaat maar één soort in Nederland, terwijl er 360 soorten wilde bijen. Honingbijen zijn, oneerbiedig gezegd, een beetje de kippen onder de bijen: ze kunnen in Europa alleen voortbestaan als de mens ze houdt. Zij worden gehouden voor de honing en om gewassen te bestuiven die in korte tijd massaal bloeien. Die grote aantallen kan de wilde bij niet aan, maar bij de overige gewassen zijn de wilde bijen uiteindelijk belangrijker. En juist de wilde bij heeft het nu zwaar. Wereldwijd neemt het aantal honingbijen toe, alleen in een aantal landen niet, waaronder de Verenigde Staten.’

Wat gebeurt er als de bij uitsterft?
‘Dat is een vrij onrealistisch scenario. Maar stel dat het zou kunnen, dan zou in eerste instantie de natuur de harde klappen opvangen. Want veel soorten planten kunnen dan weinig tot geen zaad meer zetten en gewassen gaan minder opleveren. Deze dingen zullen ons mensen op de lange termijn ook raken, natuurlijk. Maar dit is koffiedikkijken.’

Tekst gaat verder onder afbeelding

Prof. dr. ir. David Kleijn

Wat kan de gemiddelde burger doen om de bij te helpen?
‘Stenen eruit en bloemen erin, zo simpel is het. Wat ook belangrijk is, is dat in Nederland veel bloeiende planten als onkruid wordt gezien. Mensen zijn bijvoorbeeld eindeloos bezig met het uitsteken van paardenbloemen, maar die zijn juist goed voor de bij en dan heb je ook nog eens iets lolligs in je gazon. Maar je kunt ook bewust bloeiende planten in je tuin zetten, in tuincentra hebben ze best veel bloemen staan waar bijen blij van worden en die er ook mooi uitzien.’

Stel dat je maar een klein balkonnetje hebt, kan je dan ook wat doen?
‘Bijen zijn overal, ook in de stad. Caspar Jansen schrijft bijvoorbeeld in de Volkskrant over zijn balkon. In hartje Amsterdam heeft hij zijn kleine balkon laten volgroeien met bloemen en planten om te zien welke insecten allemaal langs zullen komen. Wat hij in zijn reportage allemaal waarneemt is echt indrukwekkend wat betreft diversiteit.’

Zijn er ook fabels rondom bijen?
‘Ja, het citaat dat als de bij uitsterft, de mens een aantal jaar later volgt. Dat klopt echt niet. De natuur zit veel robuuster in elkaar en sowieso krijgen we de bijen niet uitgeroeid. Sommige bijensoorten zijn daar veel te hardnekkig voor, gelukkig.’

Tot slot: hoe maken we van Nederland een bijenparadijs?
‘Met heel veel bloemen en rommelige hoekjes. Veel wilde bijen nestelen namelijk in stukken schrale begroeiing of in kale grond. Vroeger was dat overal in Nederland, want ons land is van oorsprong niet erg voedselrijk. Maar nu is alles overbemest. Wat ook belangrijk is, is diversiteit in (bloeiende) planten zodat je vegetatie hebt die op verschillende momenten in het jaar tot bloei komt. Want een heel aantal bijensoorten kunnen niet dealen met zo weinig bloeimomenten per jaar. Om dit allemaal te kunnen bereiken moeten veel verschillende partijen aan de bak. Niet alleen landbouworganisaties, maar ook Rijkswaterstaat en de gemeenten moeten een ander beleid gaan voeren. Dan kan er echt iets veranderen.’