Angst voor het nieuwe is niet nieuw

, Esther Aerts en Stefan Kruszel

Je hoeft geen moeite te doen om iets te lezen over de negatieve gevolgen die het digitale tijdperk op de mens zou hebben. We zijn verslaafd aan onze telefoon, kampen met slaapproblemen omdat we te lang naar beeldschermen staren en krijgen een burn-out omdat we ons op social media teveel vergelijken met anderen. Maar de angst die we in de 21e eeuw voelen voor het nieuwe is niet alleen iets van onze tijd.

Angst en weerstand

We vinden het normaal om altijd bereikbaar te zijn via ons mobieltje, en denken niet eens meer na over digitaal belastingaangifte doen. Toch had men bij deze vernieuwingen in de twintigste eeuw ook argwaan over de schadelijke invloed die dit met zich mee kon brengen.

Waarom hebben we angst voor het nieuwe? Iets wat hierbij terugkeert, is dat de mens bang lijkt te zijn om zijn autonomie te verliezen. Reis mee terug in twintigste eeuw tijd en verbaas je over hoe er in het verleden over de toekomst werd gesproken. 

De digitale snelweg – het internet

Internet deed in Nederland zijn intrede in 1982. Toch kreeg de gewone consument pas halverwege de jaren ’90 toegang tot internet. In 1995 praat ondernemer Maurice de Hond met Sonja Barend over de aanstaande internetrevolutie in ons land. 

De Hond vertelt dat we een generatie aan het opvoeden zijn ‘met video-recorders, MTV waar je in één seconde drie scènes hebt, Nintendo en pc’s. En dan zijn we verbaasd dat ze weinig lezen.’ Volgens de ondernemer zal internet files voor een groot deel oplossen. We hoeven niet meer met de auto naar een vergadering te rijden, maar voeren het gesprek ‘via een scherm ter grootte van een televisie’. Ook adviseert Maurice de Hond om ons minder te richten op het distribueren van fysieke producten, omdat volgens hem de toekomst de distributie van beeld en geluid wordt. Sonja Barend uit haar bezorgdheid en ziet ‘bergen werklozen’ voor zich.

De draagbare telefoon – het mobieltje

De Amerikaanse uitvinder Martin Cooper voerde in 1973 het eerste mobiele telefoongesprek ooit. Deze telefoon was nog niet erg praktisch met een gewicht van meer dan een kilo.

Nederland leek niet direct behoefte te hebben aan een draagbare telefoon. Filmmaker Frans Bromet interviewde in 1998 mensen op straat over het nut van een mobieltje. De reacties variëren van: ‘Als ik ergens strand is er altijd wel een telefooncel’ tot: ‘Ik ben ook gelukkig zonder’.

De kijkbuis – de televisie

In de jaren twintig van de vorige eeuw werden de eerste televisietoestellen gemaakt. Toch duurde het in Nederland tot 1951 voordat de eerste Nederlandse televisie-uitzending te bekijken was. In een aflevering van Andere Tijden is te zien dat men niet zat te wachten op een nieuw, duur medium. Men zag televisie als iets zeer oppervlakkigs dat misschien ook wel schade aan de gezondheid zou toebrengen.

Opvallend is dat ook de omroepen maar weinig enthousiast waren over de mogelijkheden van televisie. VARA-bestuurslid Lebon verwoordde het als volgt: ‘De omroepen voelen er weinig voor. Zij achten de televisie-experimenten een bodemloze put en willen dan ook slechts zoveel doen, dat de touwtjes in hun handen blijven.’

Ondertussen kwamen er uit de Verenigde Staten steeds meer berichten over de populariteit van televisie. Maar het genre amusement, waarvoor televisie zo geschikt was, bleek niet goed te passen bij de calvinistische volksaard van ons land eind jaren veertig. Was het Nederland van toen wel klaar voor de mogelijkheden van televisie? De dansvoorstellingen die de VPRO eind jaren vijftig uitzond, waarin de kijkers een bloot damesbeen konden zien, zorgde voor woedende reacties over die ‘schandalige seksuele gymnastiek’.

Toch won het medium steeds meer aan populariteit in de loop van de jaren vijftig. De eettafel moest het afleggen tegen de televisie als middelpunt van de huiskamer.

Een filosoof die kritisch reflecteert op de invloed van televisie is Jean Baudrillard. In Simulacrum et simulations (1981) beschrijft hij dat de televisie ons vervreemdt, manipuleert, informeert, en we steeds minder goed weten wat ‘echt’ is.

Volgens Baudrillard denken we sommige gebeurtenissen te kennen, terwijl we alleen maar een representatie van deze actie gezien hebben op televisie. Dit is niet gebaseerd op onze eigen waarheid. We kennen representaties van de werkelijkheid soms beter dan de werkelijkheid zelf. Een voorbeeld hiervan is een strand waarvan het zand net zo wit en de zee net azuurblauw is als op een ansichtkaart. Ook zou de televisie de aandacht van de kijker het liefst zo lang mogelijk vasthouden, waardoor we vervreemd raken van onze werkelijke of fysieke leefomgeving.

Ontsporende jeugd - de popmuziek

De ontwikkeling van massamedia zoals radio en televisie zorgden ook voor een snelle groei in de populariteit en ontwikkeling van popmuziek en de daarbij behorende jongerencultuur. Waar in de jaren '20 door de oudere generatie nog met afschuw gekeken werd naar jazz en andere 'lichte' muziek, zou de opkomst van de rock-'n-roll helemaal het einde van de beschaving inluiden. De vulgaire heupbewegingen van Elvis Presley zouden de jongere generaties bijvoorbeeld aanzetten tot agressie en ongebreidelde seksuele driften. De massahysterie die The Beatles bij hun concerten teweegbrachten zouden de westerse samenleving helemaal het laatste zetje de afgrond in geven.

De soep zou uiteraard niet zo heet gegeten worden als die werd opgediend, maar toch heeft de culturele revolutie van eind- jaren '60 weldegelijk veel veranderingen met zich meegebracht.

Radio en 'fake news'

Ook 'fake news' is geen uitsluitend 21e eeuws fenomeen. Bekend en berucht was bijvoorbeeld de uitzending van radiomaker en cineast Orson Welles op Halloween in 1938 die naar verluidt tot grote paniek leidde bij sommige luisteraars. In de uitzending werd een hoorspel opgevoerd naar het boek van schrijver H.G. Wells, 'The War of the Worlds'. In dit verhaal wordt de aarde aangevallen door buitenaardse wezens.

Ondanks verschillende waarschuwingen vooraf en na afloop dat het hier ging om een fictief hoorspel, dachten verschillende mensen dat de VS daadwerkelijk aangevallen werd door aliens. Het feit dat radio in die tijd nog een relatief nieuw massamedium was en de oorlogsdreiging die vanuit nazi-Duitsland uitging speelden ontegenzeggelijk mee bij de heftige reacties die de uitzending opriep. In hoeverre er inderdaad sprake was van massahysterie is nog steeds onderwerp van discussie.

In de RadioDoc Een feit is maar een feit onderzoekt maker Marten Minkema verschillende vormen van 'fake news'.

 

Wat zeker is, is dat er na de uitzending een hoop verontwaardiging en kritiek ontstond en dat de makers zich zelfs in een rechtszaak moesten verantwoorden. De laatste decennia zijn er ook diverse complottheorieën geformuleerd die in de uitzending een door de overheid geïnitieerd experiment zien. Ook zou de overheid feiten over gesignaleerde UFO's in de doofpot willen stoppen om een soortgelijke paniek onder de bevolking in de toekomst te voorkomen.

Revuedanseressen en de lopende band

De ontwikkeling van massamedia zoals radio, tv en internet, maar ook de uitvinding van de trein en het vliegtuig hebben voor een toenemende globalisering gezorgd. Het maakte de wereld een stuk kleiner dan hiervoor het geval was. Ook veroorzaakte de toenemende populariteit van de Amerikaanse massacultuur in het Europa van de jaren ’20 kritiek.

Fascinatie voor de machine
Zo was er volgens de Duitse criticus Siegfried Kracauer een fascinatie voor de machine ontstaan. Hij zag zelfs overeenkomsten tussen het lopende bandwerk in fabrieken en de entertainmentindustrie in het Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog. Hij vergeleek de synchrone dansbewegingen van de Tillergirls met de herhalende bewegingen van fabrieksarbeiders aan de lopende band. Zelfs bij het publiek maakte hij deze vergelijking: dat maakte in strakke rijen gezeten ook synchrone, regelmatige bewegingen.

Ornament van de massa
Volgens Kracauer werd het individu in deze nieuwe vorm van entertainment gedegradeerd tot niets meer dan een onderdeel van de massa. Afwijking van de eenheid kon hierin niet geaccepteerd worden omdat dit het uniforme beeld zou verstoren. In deze verheerlijking van uniformiteit schuilde volgens hem het gevaar dat mensen niet meer werden gestimuleerd om zelfstandig na te denken en zouden verworden tot kritiekloze consumenten die allemaal naar dezelfde muziek zouden luisteren en dezelfde spullen zouden kopen.

De grammofoonplaat vs. het aura

Een andere wetenschapper die zich bezighield met de invloed van technologische vernieuwingen, was Walter Benjamin. Vóór de uitvinding van de grammofoon was het volgens hem onmogelijk om een muziekstuk van bijvoorbeeld Beethoven twee keer op precies dezelfde manier te spelen. Elke uitvoering had zijn eigen karakter en ‘aura’.

Opname- en afspeelmogelijkheden, zoals de grammofoon, hebben ervoor gezorgd dat deze kunst reproduceerbaar werd. Volgens Walter Benjamin was daarmee het aura, het unieke eenmalige van het kunstwerk, vernietigd.

Overigens vond Benjamin dit niet per se uitsluitend een negatief gevolg. De technologische vernieuwing bracht namelijk een hele nieuwe manier van kunstconsumptie en kunstbeleving met zich mee. Hij stond op een positieve manier tegenover de mogelijkheden die kunst in de toekomst in de samenleving zou kunnen spelen. De nadruk op het unieke, bijvoorbeeld de unieke volksziel, had het volk immers vatbaar gemaakt voor fascisme en nationalisme. De nieuwe technologische cultuurindustrie zou nieuwe inzichten kunnen verschaffen en het volk kritisch kunnen leren kijken.

Verder praten? Kom naar de debatavond in Pakhuis de Zwijger

De digitale impact

Op dinsdag 30 oktober organiseert de VPRO een debatavond in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam over de steeds verdergaande digitalisering van ons leven. Aan de hand van vier documentaires: The Cleaners, Bewaren, More Human than Human en Ubiquity, wordt er doorgepraat over hoe verborgen krachten in dit digitale tijdperk ons bestaan steeds meer beïnvloeden.

Wil je hierbij aanwezig zijn? Dat kan. Geef je op via de link.