René Roelofs, IKON, 2001

Zonen van Suriname

IKON

René Roelofs, IKON, 2001

Zonen van Suriname

IKON

Op 8 december 1982 worden in Fort Zeelandia te Paramaribo, Suriname 15 moorden gepleegd. Het militaire regime, onder leiding van Desi Bouterse - op 25 februari 1980 door een coup aan de macht gekomen - ontdoet zich in één klap van zijn belangrijkste critici. Alle slachtoffers worden standrechtelijk geëxecuteerd en vertonen tekenen van marteling. De schok die de gebeurtenissen teweeg hebben gebracht, is nog steeds voelbaar in de Surinaamse samenleving. De schuldigen zijn nooit aangehouden, laat staan berecht.

Het is niet verwonderlijk dat de meeste nabestaanden van de decemberslachtoffers kort na de gebeurtenissen het land hebben verlaten en in Nederland zijn gaan wonen. Al bijna twintig jaar proberen zij - samen met de nabestaanden die in Suriname zijn gebleven - de daders ter verantwoording te roepen. Tot op heden zijn hun pogingen vruchteloos gebleven.

Eind 2000 is er toch een doorbraak. Het Surinaamse hof besluit vlak voor de verjaringstermijn een gerechtelijk vooronderzoek te starten naar de misdaden. Op dit moment is er een begin gemaakt met het verhoren van getuigen, maar of het ooit daadwerkelijk tot een proces zal komen, wordt door velen betwijfeld. Een van de problemen is het gebrek aan middelen, zowel personeel als financieel. Ook het feit dat voormalig bevelhebber Bouterse achter de schermen nog een belangrijke rol speelt in Suriname vormt een complicerende factor.

Deel 1: De onafhankelijkheid

Op 25 november 1975 vindt een historische gebeurtenis plaats in het stadion van Paramaribo. Premier Joop den Uyl verleent, in het bijzijn van prinses Beatrix, Suriname de onafhankelijkheid. Suriname was weliswaar sinds 1954 autonoom binnen het Koninkrijk der Nederlanden, maar in feite had Nederland nog op diverse gebieden de touwtjes in handen.

De film begint met een portret van Suriname in de periode vóór de onafhankelijkheid. Er is geen eensgezindheid over het tempo waarin de onafhankelijkheid moet worden gerealiseerd. Dit leidt tot grote spanningen tussen de diverse bevolkingsgroepen. Met name de hindoestanen, onder leiding van Jagernath Lachmon, voelen zich bedreigd en trekken in deze periode massaal naar Nederland. Onder druk van Nederland en met instemming van het Surinaamse parlement (dat met een verschil van één stem akkoord gaat met de onafhankelijkheid), wordt Henck Arron de eerste premier van het onafhankelijke Suriname. Hij krijgt een 'bruidsschat' mee van fl. 3,2 miljard, in die tijd een astronomisch bedrag.

In de vijf jaren die volgen blijkt de Surinaamse regering de verwachtingen van de onafhankelijkheid niet waar te kunnen maken. Ondanks de economische steun hebben velen het gevoel dat de regering Arron de maatschappelijke problemen onvoldoende aanpakt, terwijl ze zich schuldig maken aan corruptie en zakkenvullerij. In deze situatie besluiten zestien onderofficieren, die deels in Nederland hun opleiding hebben gehad en in het nieuwe Surinaams leger zijn opgegaan, onder wie een zekere sergeant Desiré Delano Bouterse, op 25 februari 1980 naar de wapens te grijpen. Wat begint als een arbeidsconflict tussen onderofficieren en legerleiding, loopt uit op een staatsgreep. Het volk juicht de coup toe en ook Nederland geeft de nieuwe machthebbers het voordeel van de twijfel. Dat geldt ook voor enkele van de latere slachtoffers van 8 december 1982, zoals André Kamperveen en Jozef Slagveer.

In de twee jaar die volgen, blijken de sergeants in de Nationale Militaire Raad niet opgewassen tegen de regeringsverantwoordelijkheid. Ondanks het installeren van een burgerregering geven de militairen niet de indruk de macht uit handen te willen geven. Het land dreigt andermaal ten prooi te vallen aan vriendjespolitiek en corruptie. De weerstand onder de bevolking groeit; tegelijk neemt de repressie van de militairen toe. Tevens wordt duidelijk dat het leger ook in eigen kring geweld niet schuwt. Militairen komen op dubieuze wijze om het leven. De eerste episode eindigt met het besluit tot een greep naar de macht van een kleine groep militairen op 11 maart 1982, onder leiding van luitenant Soerendre Rambocus.

De familieleden van de slachtoffers van de decembermoorden kijken met gemengde gevoelens terug op de onafhankelijkheid. Sommigen hebben hun carrière in Nederland opgegeven en zijn vol enthousiasme naar Suriname teruggekeerd om hun moederland te helpen opbouwen. Maar anderen zien in de wijze waarop de onafhankelijkheid tot stand is gekomen een voorbode van de gebeurtenissen van 1980 en 1981.

Deel 2: De decembermoorden

Op 11 maart 1982 wordt Paramaribo geconfronteerd met militairen die schietend over straat rollen. Een situatie die men wel kent uit andere Zuid-Amerikaanse landen, maar die men in Suriname voor onmogelijk had gehouden.

De couppoging van luitenant Rambocus en collega Hawker lijkt aanvankelijk te slagen, maar mislukt doordat op het kritieke moment een van de manschappen overloopt naar het kamp van Bouterse. In de film vertelt de vader van Djiewansingh Sheombar, een jonge militair die zich na zijn opleiding in Nederland bij Rambocus had aangesloten, hoe dit in zijn werk ging. Even later verschijnen op TV beelden van een gewonde Hawker, die een bekentenis aflegt. Enkele uren later wordt hij standrechtelijk geëxecuteerd. De moord op Hawker vormt een kentering in de houding ten opzichte van de militairen. Blijkbaar zijn de militaire machthebbers in staat om hun tegenstanders zonder vorm van proces uit de weg te ruimen. Niemand weet wie de volgende zal zijn.
 
Het politiek beladen proces tegen Rambocus zet de tegenstellingen tussen de critici en het regime op scherp. Naast Rambocus en Sheombar staan ook de invloedrijke hindoestanen Sugrim Oemrawsinghm en Robby Sohansingh terecht voor medeplichtigheid aan de staatsgreep. Hoewel hun betrokkenheid niet duidelijk wordt, is het feit dat Sugrim's tweelingbroer Baal Oemrawsingh als politieke leider bij de coup betrokken was, genoeg reden om hem ook op te sluiten. Sugrims echtgenote en de vrouw van Sohansingh vertellen in de film over de spanningen rond hun rechtszaak.
 
De vooraanstaande strafpleiters John Baboeram, Eddy Hoost en Harold Riedewald nemen in het najaar van 1982 de verdediging op zich. Zij betogen dat Rambocus en de zijnen niet als gewone coupplegers te beschouwen zijn, omdat ze een regime naar huis wilden sturen dat zelf op ondemocratische manier aan de macht is gekomen. Rambocus houdt in zijn 'laatste woord' een vurig pleidooi voor een terugkeer naar de rechtstaat. Hij en de advocaten voeren hun verdediging met zoveel verve dat de zaal elke dag vol zit en er bij de aanwezigen een gevoel van euforie ontstaat. Hoewel de familieleden van de advocaten en verdachten zich zorgen maken, is er ook hoop dat men op deze manier de militairen tot rede kan brengen.
 
In het najaar wordt de roep om democratie steeds luider. Er vinden diverse demonstraties plaats en de druk op de machthebbers neemt toe, met de derde week van oktober als voorlopig hoogtepunt. Maurice Bishop, de president van Grenada en het grote revolutionaire voorbeeld van Bouterse brengt op 25 oktober een bezoek aan Suriname. De grootste vakbond, de Moederbond onder leiding van Cyrill Daal, kondigt op die dag een algehele staking af. Omdat ook het energiebedrijf staakt, zijn de landingsbanen van Zanderij niet verlicht en heeft het vliegtuig van Bishop grote moeite met landen. Bouterse is woedend. Cyrill Daal wordt gearresteerd en bedreigd, en daarna weer vrijgelaten.

Dan volgt de grote confrontatie: een officiële manifestatie voor Bishop trekt slechts 1500 mensen, terwijl de mensen massaal gehoor geven aan de tegen-demonstatie van de Moederbond. Ter gelegenheid van dit feit doet Bouterse de onheilspellende uitspraak: "Meneer Daal heeft mij de rekening gepresenteerd, ik zal hem contant betalen!" Enkele dagen later worden midden in de nacht op verschillende plekken in Paramaribo mannen van hun bed gelicht. Niemand kan dan nog vermoeden wat hen zal overkomen.

De slachtoffers

Tot de slachtoffers van de 'decembermoorden' behoorden de vier ster-advocaten van Suriname: John Baboeram, Eddy Hoost, Kenneth Gonçalves en Harold Riedewald. Zij waren bezig met het proces van de militairen Surendre Rambocus en Djiewansing Sheombar, die eveneens zijn vermoord.

Verder behoorden tot de slachtoffers de rijke zakenman Robby Sohansing, verdacht van financiering van de tegenkrachten tegen het regime Bouterse. Vermoord werd ook de kritische pers in de personen van de journalisten Frank Wijngaarde, Leslie Rahman, Jozef Slagveer, Bram Behr en André Kamperveen. Universiteitsprofessor Gerard Leckie, wiskundedocent Sugrim Oemrawsingh en leider van de grootste vakbond Cyrill Daal completeren de lijst.